Een maïskolfje
Amaryllis Sprock

“ ’Als je een zwarte op straat tegenkomt, moet je hard weglopen.’ Zo ben ik opgevoed. En dat is niet eens zo heel lang geleden. We woonden in een dorp en daar zag je maar een enkeling. Ik weet nog goed dat ik een keer buiten adem thuiskwam, omdat ik er een zag. Hij kwam een winkel uit, toen ik tegen hem op liep. Ik was ontzettend geschrokken. Het was een grote man met een lange jas aan en een hoed op. Ik zie hem nog voor me. Thuis ving mijn moeder mij op. Zij prees me dat ik goed gedaan heb door hard naar huis te rennen.”

Wat er kon gebeuren, heeft de moeder van mevrouw Snip haar nooit verteld. Het waren vreemden en daar kon je maar beter bij uit de buurt blijven. Later toen het gezin naar Amsterdam was verhuisd en mevrouw Snip daar verder opgroeide, veranderde haar angst in overdreven belangstelling voor deze vreemdelingen. Mensen met een donkere huidskleur intrigeerden haar enorm en ze bleven haar belangstelling trekken. Op straat begon haar aandacht steeds meer gefixeerd te raken op gemengde stellen. Die hadden vaak een of twee donkere kindertjes bij zich met van die fijne zwarte krulletjes, net kurkentrekkertjes. Zo’n kind met de kleur van jonge koffiebonen, dat wilde zij ook dolgraag.

Als mevrouw Snip zich bij ons aanmeldt, komt haar nieuwe vriend ter sprake, haar derde partner. Ook hij heeft een donkere huidskleur. “Deze laat ik niet meer los. Met de twee vorige ging het mis. Wij verschilden teveel van elkaar. Maar tussen Steve en mij gaat het hartstikke goed. Dat hij is getrouwd, is absoluut geen probleem. Dat is een aflopende zaak heeft hij gezegd, daar hoef ik mij geen zorgen over te maken.”

Tijdens een gesprek begint mevrouw Snip met mij over haar kinderwens. Zij is de dertig al gepasseerd en ál te lang wachten wil zij niet. Zij mijmert de laatste tijd veel over het soort kind dat zij hebben wil. Samen met haar vriend fantaseert ze dat het een jongetje, dan wel een meisje wordt, en op wie het gaat lijken. Behalve dat mevrouw Snip een voorkeur heeft voor een meisje, is zij heel erg benieuwd naar de kleur. Krijgt het een lichte huidskleur, of zal het juist een mooi donker kindje worden, met van die zwarte oogjes. “Maar mevrouw Sprock, nou komt mijn vriend ineens weer met een ander idee … ‘Stel’, zegt hij, ‘dat het nou een maïskolfje wordt, want dat kan natuurlijk ook.’ Ziet u dat voor u? ‘Ik vind het best dat jij een donker kindje wil, maar als je het mij vraagt … een maïskolf, nee, dat is het laatste wat ík zou willen.’ Dat heeft hij toen gezegd … Wat vindt u daar nou van?

Amaryllis Sprock is sociaal psychiatrisch verpleegkundige, werkzaam in Amsterdam Zuid-Oost
 Publicatiedatum: 10 november 2008 08:36 uur
 
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder toestemming van Mikado.